Posts tonen met het label regen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label regen. Alle posts tonen

dinsdag 12 juni 2012

KFS2012 Deel 6: De laatste festivaldag

Gisteren voorspelde het weerbericht dat we dagelijks van EUFOR krijgen dat de wind in de loop van de avond zou toenemen. Daarom hebben de mannen van het RECCE TEAM al de nodige voorzorgen genomen om de diverse tenten op het festivalterrein zo veel mogelijk bestand te maken tegen de wind. En bij aankomst vanmorgen bleek het gelukkig allemaal mee te vallen. Anderen op het terrein hadden blijkbaar minder goed op de weersvoorspelling gelet, want hun tentjes hadden stukken meer schadeopgelopen. Zij waren vanmorgen druk met plakband in de weer om gebroken tenstokken weer aan elkaar te plakken.

Bij de rollerdisco wilde één paal waaraan de vlaggetjes zijn opgehangen maar niet rechtop in de wind blijven staan. Elke keer dat de paal weer rechtop werd gezet en men stoeptegels op de voet wilde leggen, lag de paal door de wind weer omver. Gelukkig vonden we deze charmante jonge dames bereid ons vandaag uit de brand te helpen!






Zodra het laatste springkussen weer is opgeblazen kunnen we snel nog even samen met z'n allen lunchen voordat de hekken weer open gaan en de kinderen binnen stromen voor deze laatste festivaldag van 2012!

woensdag 10 maart 2010

Zelfs ‘op tijd’ is nog te laat (deel III)

Lange tijd gebeurt er niets. Er lopen verpleegkundigen en artsen over de gang, maar niemand kom naar ons toe. Ten einde raad klampen we de eerstvolgende persoon aan die zich in de buurt van de balie begeeft. ‘Monsieur J.?’ Deze dame geeft, bij het horen van de naam, zelfs blijk van herkenning. Now we’re getting somewhere! Met gebaren maakt ze duidelijk dat ze gaat ‘zoeken’. Ik neem maar aan dat het zoeken betreft naar iemand die ons te woord kan staan, zoeken naar ‘de patiënt’ lijkt me in deze situatie te dol voor woorden.
In de tussentijd krijg ik steeds meer moeite mijn adrenalineniveau onder controle te houden. Ik ben moe, inmiddels behoorlijk gefrustreerd aan het raken, ik heb vandaag nog bijna niets gegeten, en ‘vandaag’ begint inmiddels al aardig aanstalten te maken om in ‘morgen’ over te gaan. Wat is nu in hemelsnaam het probleem helemaal? Is de toestand van de patiënt inmiddels zó ernstig dat ze ons dat willen besparen? Zijn ze zó geschrokken van deze onverwachte Nederlandse invasie? Ik loop naar buiten en probeer in de gierende wind en de druilerige regen een sigaret aan te steken.
Halverwege mijn sigaret zie ik beweging binnen. Een arts is tevoorschijn gekomen en begint iets uit te leggen. Het blijkt een verslag van de laatste uren waarbij een mengelmoes wordt gesproken van rap Frans, voorzichtig Engels en een hoop handgebaren. Het verhaal is echter volkomen duidelijk: het gaat niet goed. Het lukt maar niet om de bloeddruk op peil te krijgen. Er zijn al ruim twintig zakken bloed toegediend, maar er blijven steeds nieuwe bloedingen optreden. De man gaat ons voor en zegt dat we in kleine groepjes even bij hem mogen, met nadruk op ‘even’.
De dames gaan eerst, het is tenslotte hun vader. Ik wacht met R. buiten. Als de dames na een paar minuten weer verschijnen vertellen hun gezichten genoeg. In hun ogen lees ik de vrees voor herhaling van ruim een jaar geleden, het verlies van een ouder. Ik kan niet anders dan mijn liefste knuffelen. Ik heb woorden genoeg, maar woorden zijn in zo’n situatie zo volstrekt ontoereikend dat ik het beter vind ze niet hardop te zeggen.
Dan zijn R. en ik aan de beurt. J. blijkt naar ons te hebben gevraagd. We schuifelen de behandelkamer in waar J. ligt en mijn hart zinkt. Daar in het ziekenhuisbed ligt een schim van de man die ik zo ben gaan bewonderen. In zijn ogen zie ik de vermoeidheid. Pijn heeft hij gelukkig niet, daar zorgt de morfine wel voor. Op mijn vraag of we iets voor hem kunnen betekenen antwoord hij ontkennend. Hij heeft niets meer te wensen. Hij is echter blij om ons voor het laatst nog even gezien te hebben, hij fluistert het bijna. We nemen afscheid met de belofte om de volgende ochtend weer terug te komen, en ik probeer in zijn ogen te lezen of hij er dan nog zal zijn. Hij knikt haast onmerkbaar.
Eenmaal buiten is er crisisoverleg. Hier blijven of proberen een paar uur te gaan slapen? Het slapen wint. Voor we echter aan bed kunnen denken hebben we nog zo’n vijftig kilometer en een ontmoeting met die ‘andere J.’ voor de boeg. In de auto is het stil. Tom wijst ons een weg die mij niet bekend voorkomt. Sigaret na sigaret word me aangereikt vanuit het donker, en ik besluit nu eens niet met Tom in discussie te gaan en zijn aanwijzingen te volgen. Aanwijzingen die ons leiden over slingerweggetjes, door slapende dorpjes en door mist en regen. Ik ben kapot als we uiteindelijk het bekende dorpje binnenrijden. Nu wil ik eigenlijk niets anders dan slapen, maar ik weet dat het nog wel even gaat duren voor het zover is.

10-03-10

dinsdag 9 maart 2010

Zelfs ‘op tijd’ is nog te laat (deel II)

Buiten is het donker en de weg is nat van de regen als HET telefoontje komt. M. belt en zegt dat J.’s toestand is verslechterd. Het advies is om direct naar het ziekenhuis in Montélimar te rijden.
Met een ferme ruk aan het stuur slaag ik er in om nog net de afslag Montélimar-Nord te nemen. Ik heb geen flauw idee waar het ziekenhuis ergens ligt, maar de TomTom ongetwijfeld wel, dus gokken we het er maar op. Terwijl ik afreken bij het tolpoortje toetst mijn liefste de nieuwe bestemming in: Centre Hospitalier de Montélimar.

De route voert ons door donkere dorpjes en langs stille wegen. Goddank voor de TomTom, want anders waren we hier grandioos verdwaald! Regelmatig moet de TomTom zijn route opnieuw berekenen, want ook in Frankrijk blijkt men stevig aan het bouwen. Wegen zijn omgelegd en rotondes verschenen waar voorheen blijkbaar slechts kruispunten bestonden. Het is dus af en toe een beetje gokken of we de juiste afslag op de rotonde te pakken hebben, maar het lijkt te lukken. Dan verschijnt het bordje dat de gemeentegrens van Montélimar aangeeft. Nog 6 kilometer.

Volgens de instructies moeten we naar de ‘Urgences’, wat klinkt als ‘Eerste Hulp’. Vreemd als iemand al enige dagen in het ziekenhuis ligt, maar het zal wel. Als we door het toegangshek rijden valt meteen op dat het ziekenhuis een gigantische verbouwing ondergaat. Overal zijn tekenen van bouwactiviteiten en staan machines en hekken. In het donker proberen we bordjes te vinden die ons in de juiste richting wijzen, maar dat blijkt lastig. De bordjes ‘Urgences’ zijn zo geplaatst dat het ook hier soms gokken is welke richting ze nu opwijzen. Enorm frustrerend allemaal. We zijn bezorgd en moe, en willen J. vinden. Maar in het donker wordt ons geduld steeds op de proef gesteld.

Op een bepaald moment geloof ik het wel. Ik besluit om de uitgang te zoeken en het opnieuw te proberen. We moeten ergens een bordje of aankondiging hebben gemist.
Maar als ik een volgende bocht neem zie ik recht voor me de uitgang en meteen links de ingang van ‘Urgences’. Eindelijk!

Gelukkig is het op deze troosteloze en regenachtige avond niet heel druk op het parkeerterrein. Ik vind snel een plekje dat bezaaid is met glas. Normaliter zou ik de auto daar niet neerzetten, maar nu kan het me weinig schelen en mijn liefste nog minder. Het is tenslotte háár vader om wie het gaat. Ik trek de handrem aan en volg mijn liefste die al bijna binnen is.

In de hal zit een grote groep jongeren zich nadrukkelijk te vervelen. Waarschijnlijk is een van hun kameraden er onder behandeling, maar hun wachten hoeft van mij niet zo luidruchtig. We lopen naar de balie, maar die blijkt verlaten. Er is niemand aan wie we iets kunnen vragen. Een balie even verderop is ook verlaten, maar ik kan een paar meter erachter mensen door de gang zien lopen. Ik kan niet anders dan hard ’Bonjour?’ roepen, maar niemand reageert.

Als ik terugloop naar de ingang zijn M. en R. inmiddels ook gearriveerd. Zij waren Montélimar al voorbij toen het bericht kwam en moesten ruim twintig kilometer terugrijden om hier te komen. Hun auto staat ergens anders op het terrein en zij hebben de zoektocht in het donker te voet ondernomen.

Dan verschijnt er iemand in het kantoortje achter de balie. Blijkbaar niet met de bedoeling ook aan de balie te verschijnen, maar op ons roepen komt ze toch naar voren. ‘Monsieur J.?’ Die naam doet klaarblijkelijk geen enkel belletje rinkelen, en ook een vluchtige zoektocht in de computer (b)lijkt niets op te leveren. Uit haar antwoord kunnen we opmaken dat ze het gaat navragen, en ze verdwijnt weer naar achteren.

09-03-10

donderdag 26 november 2009

Zinnen

Als taalliefhebber is het een waar feestje om met taal bezig te kunnen zijn en er vervolgens òòk nog voor betaald te worden. Dat gaat weliswaar niet altijd op, maar in dit geval gelukkig wel.
Voor een nieuw project moesten er een paar zinnen komen die, op zichzelf staand, een beeld zouden oproepen. Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar als je er eenmaal aan begint valt het toch best tegen. Een van de plekken waar je echter dagelijks zinnen tegen komt over vrijwel elk denkbaar onderwerp, is natuurlijk het nieuws. Gesproken of gedrukt, dagelijks is er een geheel nieuwe aanvoer.

En wellicht is het de speciale focus waarmee ik nu de krant lees, maar opeens haal ik uit vrijwel elk artikel mooie zinnen. Zinnen die inderdaad een beeld oproepen of, zoals in een aantal gevallen, je aan het denken zetten. Natuurlijk kun je de zinnen eigenlijk niet los zien van het artikel waaruit ze komen, maar als ze me ook op zichzelf staand aanspreken, dan kan ik ze gebruiken. Een paar voorbeelden.
In een artikel over een optreden van de band Napalm Death, zegt de zanger: ‘..als je in maximaal twee minuten je boodschap kunt overbrengen, waarom zou je er dan langer over doen?’

In een andere krant vond ik een artikel over een sportfestijn waarvan de opbrengsten naar een goed doel gaan: hulpbehoevende kinderen. De organisatie van vrijwilligers is zo gemotiveerd dat ze nauwelijks kunnen wachten tot het startschot weerklinkt, maar vooralsnog is volstrekt onduidelijk hoeveel mensen er aan de start zullen verschijnen. De organisatie vraagt zich dan ook af: ‘Weggooien is doodzonde en het laatste wat we uiteraard willen is mensen teleurstellen, maar hoeveel krentenbollen –voor in de pauze van de tocht- moeten we in hemelsnaam bestellen? Je zou toch denken dat de organisatoren wel andere prioriteiten zouden hebben, maar bij deze tocht blijken het toch krentenbollen te zijn.

Een ander artikel stemt me minder vrolijk. Hierin geven agenten aan weinig vertrouwen te hebben in het overheidsbeleid en beklagen zich erover: ‘Van boevenvangers zijn we nu een cijferfabriek geworden.’ Door het moeten voldoen aan opgelegde prestatiecontracten zijn agenten dus vaker bezig met administratie en andere zaken dan het feitelijke politiewerk van ‘boeven vangen’. Ik ben toch blij dat ik een andere carrièrekeus heb gemaakt. Ik zou bepaald niet geschikt zijn in een dergelijke cultuur mijn werk te doen.

Tot slot viel me een bijschrift bij een foto positief op. Als een soort persiflage op het bekende: ‘Hier Parijs, hier Jan Brusse!’ staat er bij een foto van een bellende pelgrim onder een paraplu: ‘Hier Mekka, het is nat’. Hetgeen, gezien de foto, bepaald geen overdreven reactie is trouwens.

Nu heb ik persoonlijk helemaal niets met Mekka of de jaarlijkse bedevaart, toch kan ik vrolijk worden van zo’n foto. Het is een kwinkslag en een knipoog die we allemaal hard nodig hebben in deze financieel sombere en donkere tijden. Het zijn dan ook dergelijke zinnen die de hele wereld weer een stukje terug in perspectief plaatsen en je weer even uit je sombere sleur halen. Ze laten zien dat, wat er ook in de dagelijkse werkelijkheid allemaal aan rottigheid mag gebeuren, elders op de wereld het leven gewoon doorgaat. Mensen vooral, gaan gewoon door met het doen van hun eigen dagelijkse dingen, en dat stemt me dan toch wel weer hoopvol. Buiten al die herrie die voor muziek moet doorgaan, buiten alle terecht klagende agenten en heftige regenbuien in Mekka en omstreken, is er altijd dat sprankje hoop aan de horizon. Het is niet altijd even duidelijk, maar wie het zoekt kan het tòch elke dag weer vinden. Gelukkig maar.

26-11-09

maandag 15 juni 2009

Reisverslag Azoren III: Naar Pico

Vandaag nemen we afscheid van Quinta do Martelo en vliegen aan het eind van de middag naar Pico, het tweede eiland dat we gaan bezoeken. Gisteravond al uitgebreid afscheid genomen van José, onze ober, en diens baas Rodrigo. Tevens de restaurantrekening betaald van de afgelopen vijf dagen. Die bedroeg € 245,90, dus zo’n vijftig euro per dag, en dat is dan inclusief voor-, hoofd- en nagerecht, wijn en koffie. Ik zal de ‘Mesa do Presidente’ gaan missen! Deze Vinho Verde was onze vaste tafelgenoot de afgelopen dagen.

Tijdens het diner werd ons, onder toevoeging van duizenden verontschuldigingen, gevraagd onze auto te verplaatsen. De Quinta blijkt een vast decor te zijn voor een satirisch tv-programma hier op de Azoren, en vanavond zijn er weer opnamen. Vanaf de tafel is de actie buiten nauwelijks te zien, maar het tromgeroffel des te beter te horen.

Het weer heeft de afgelopen week niet echt meegezeten. Op het ene moment schijnt de zon en klimt de temperatuur gemakkelijk naar een graag of zesentwintig, op het volgende moment komt de regen weer met bakken tegelijk naar beneden. Rodrigo zegt dat de boeren erg blij zijn met de regen, daar er de afgelopen winter veel te weinig is gevallen. De situatie werd op een gegeven moment zelfs zo nijpend dat Angro de Heroísmo en enkele omliggende dorpen dagelijks enkele uren van het water werden afgesneden. Nu er weer genoeg regen valt zullen de restricties wel weer snel worden opgeheven verwacht hij. Zowel hij als José blijven trouwens stug volhouden dat het weer de volgende dag beter zal zijn. Ze zeggen dat dagelijks op het nieuws te horen. Ik denk dat Azoreaanse meteorologen er dus net zo vaak compleet naast zitten als de Pieten Paulusma bij ons.

Na het ontbijt pakken we in alle rust de koffers in. Rodrigo heeft gezegd dat we zo lang op de kamer kunnen blijven als we zelf willen en ons dus niets hoeven aan te trekken van de verplichte uitcheck-tijd van twaalf uur. Gelukkig maar, want onze vlucht vertrekt pas om 16.40. De auto moet een uur eerder worden ingeleverd.

03-06-09