Posts tonen met het label foto. Alle posts tonen
Posts tonen met het label foto. Alle posts tonen

vrijdag 1 april 2011

Tissus Wax Bazin

Als ik ’s ochtends mijn krantjes lees, stuit ik vaak op berichtgeving die me aan het denken zet. Vanmorgen was het de column van Annelie Langerak in ’s lands grootste ochtendblad.

In de column beschrijft Langerak hoe in Indonesië het filmfenomeen ‘pornosterren met kleren aan’ kon ontstaan. Op zich een interessant fenomeen, maar dat geloof ik allemaal wel. Porno is tenslotte overal onderwerp van oproer en religieus protest. Mijn echte interesse werd echter gewekt door haar beschrijving dat ‘honderden islamitische studenten en geestelijken op straat damesondergoed in brand staken uit protest tegen Myabi (een Japanse pornoactrice), als vernietigster van de moraal van de natie.’ Hoe komt iemand daarop?

Ik kan het niet helpen, maar ik vraag me dan meteen af hoe deze geestelijken aan dat damesondergoed zijn gekomen. Was het van dat degelijke Hema-spul dat ze gingen verbranden, of het meer frivole soort? Ik kan me nauwelijks voorstellen dat zo’n geestelijke zelf een winkel voor dameskleding binnenstapt. Komt er dan een verkoopster op hem af die bedeesd vraagt waarmee ze hem van dienst kan zijn? Fluistert hij dan iets onverstaanbaars in zijn baard? Of bromt hij bars dat het soort damesondergoed dat hij zoekt hem niets kan schelen omdat hij het toch gaat verbranden? Vragen, vragen, altijd maar die vragen! Een ander mogelijk scenario is natuurlijk dat de geestelijke de ondergoedlade van zijn vrouw en dochters heeft geplunderd. Ik hoop dan maar dat hij de minst afgedragen exemplaren heeft meegenomen, want die afgedragen exemplaren zitten de dames blijkbaar het lekkerst. Vooral tijdens ‘die periode van de maand’. En zou dochterlief haar vader bij thuiskomst na het demonstreren om uitleg hebben gevraagd wegens haar opmerkelijk lege lade? Als het in Indonesië net zo gaat als hier, draait Pa uiteindelijk toch op voor de kosten van vervanging.

Begin vorige maand stond in de Volkskrant bovenstaande foto die me ook enige tijd heeft bezig gehouden. Op de foto van Julien Chatelin zien we moslims bijeengepakt op straat bidden tijdens het vrijdaggebed in een smalle straat in Parijs. Op zich is de foto goed van compositie, maar wat mij het meest intrigeert is een uithangbord van een winkeltje aan de gevel links. Op dit uithangbord staat de tekst ‘Tissus Wax Bazin’, voor de deur staat een paspop met een Arabisch gewaad. Zo’n ontdekking bezorgt mijn fantasie meteen overuren. Wie is die ‘Bazin’, wat is haar verhaal, en wat doet ze met ‘Wax’?

Uit een grijs verleden weet ik dat de aankondiging Tissus betekent dat het hier om een winkel in stoffen gaat. De waarheid zal dus, zoals meestal, een heel stuk minder prozaïsch zijn. Bazin is dus hoogstwaarschijnlijk een extreem hardwerkende middenstander van mannelijke kunne en middelbare leeftijd, en al helemaal geen vrouw met een omfloerste oogopslag en een intrigerend verleden. In mijn fantasie heb ik haar inmiddels een hele levensgeschiedenis toegedicht. Niet allemaal even prettig wat ze heeft meegemaakt, maar ze leeft nog en verdient met haar winkeltje net genoeg om voor haar dochters en kleinkind te kunnen zorgen.

Ik vraag me wel eens af in welke wereld het beter toeven is: de dagelijkse wereld om ons heen of de wereld die ik in mijn fantasie uit het niets kan creëren?

01-04-11

vrijdag 22 oktober 2010

Strijdlustige Française

De foto op pagina T11 van de krant vanmorgen deed me glimlachen. Onder de kop ‘Fransen strijdlustig’ toonde men het gezicht van een, volgens het onderschrift, middelbare scholiere met een tekst op haar wang. Ze schreeuwt het op de foto uit tijdens een demonstratie tegen de pensioenplannen in Parijs.

Nu vraag ik me sterk af wat een middelbare scholiere doet bij een demonstratie tegen de pensioenplannen van de regering. Jongeren, hoe betrokken wellicht ook, leven in het moment en zijn helemaal niet bezig met de (verre) toekomst. Op die leeftijd is iedereen boven de dertig al stokoud, laat staan iemand die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Nee, eigenlijk zou ze op school zou moeten zitten, samen met de vriendin die de tekst op haar wang heeft gekalkt. Waarom ik dat zeg? Ten eerste hebben beide jonge dames een allerbelabberdst ruimtelijk inzicht. Het eerste deel van de tekst is duidelijk in het midden geplaatst en helder van lijn. Bij het laatste woord ging het echter op twee fronten mis. Er bleek opeens te weinig wang om het gehele woord duidelijk neer te kalken, en er is een schrijffout ingeslopen. Réforme is namelijk met een ‘m’, een driepoot, in plaats van met een ‘n’, met twee pootjes.

Ok, de hoofdschuldige van die schrijffout is natuurlijk de vriendin, maar als ik überhaupt met een tekst op mijn wang aan een demonstratie zou deelnemen, zou ik toch wel even zeker willen weten dat die tekst correct én leesbaar was.
Mensen die mij kennen zullen nu ongetwijfeld beginnen te roepen dat er op mijn wangen véél meer plaats is om teksten neer te pennen. Ze hebben gelijk. Bovendien kan mijn wang ook al niet bogen op dezelfde zachtheid en strakheid van huid als die van het jonge ding op de foto. Maar dat terzijde.

Natuurlijk is mijn fixatie op taal tot op zekere hoogte beroepsdeformatie. Ik ben tenslotte verhalenverteller en tekstschrijver. Maar aan de andere kant vind ik dat je taal correct moet gebruiken, zeker als je ermee een punt wilt maken. Maar dat zoiets moeilijk is hoor ik elke dag op radio en tv en lees ik dagelijks in de krant.

Een zanger, waarvan ik de naam niet zal noemen (omdat het Marco Borsato was), hoorde ik gisteren tijdens DWDD zeggen dat hij had gewacht tot het stof was opgetrokken. Zoiets uitkramen is een typisch gevalletje van ‘klokje’ en ‘klepeltje’. Want, meneer Borsato, rook trekt op en stof daalt neer. Heeft te maken met natuurkunde en zwaartekracht. Best lastig allemaal, maar het is nu eenmaal zo.

Ik ben een groot voorstander van het gebruik van spreekwoorden en zegswijzen. Weet alleen wel wàt je zegt, wat je ermee bedoeld te zeggen, en gebruik het dan in de juiste volgorde en in de juiste context. Anders krijg je net zo’n onzin als welke mijn kleine neefje uitkraamde. Die vond dat je ’de moeder van de porseleine kast best kon verkopen als het kalf toch al verdonken was’. Hoe hij het bij elkaar wist te fantaseren begrijp ik nog steeds niet, maar alles wat geld oplevert is momenteel oké. Hij spaart voor een nieuw computerspelletje dat zijn vriendje al heeft, dus werkelijk alles is geoorloofd. Maar ja, hij is 8.

22-10-10

vrijdag 15 oktober 2010

Ik wil het niet meer

Het zou verboden moeten worden! Er zou een wet moeten komen die het verbiedt! En je hoeft er tegenwoordig niet eens meer Bekende Nederlander voor te zijn. Het ergste is dat het gewoon ongevraagd gebeurt. Waar ik ook ben. Overal waar massa’s mensen bij elkaar zijn. Je hoeft alleen maar aanwezig te zijn om slachtoffer te worden.

Waar is de tijd gebleven dat het je gewoon werd gevraagd? Waar is de tijd gebleven dat het je alleen overkwam in huiselijke kring? Tegenwoordig moet je overal op je hoede zijn, iedereen heeft tenslotte tegenwoordig zo’n ding op zak. Ik ook trouwens, vaak zelfs twee, maar dat wil nog niet zeggen dat ik er de hele dag mee loop te zwaaien. Integendeel zelfs.

Vroeger gebeurde het me wel vaker. Vooral toen ik werkte in Lisse. Daar werd ik regelmatig gevraagd, elke dag wel een aantal keer. Elke keer als ik mijn gezicht in het park liet zien werd ik aangehouden. Mijn postuur constrasteerde waarschijnlijk zo lekker met die Koreanen, Chinezen en Japanners die het me vroegen. Maar ook daar had ik een keuze. Ik kon altijd nee zeggen, maar vaak was het gegiechel van de vraagsters dermate aanstekelijk dat ik toezegde. Op veel plekken in de wereld ben ik dus in kasten en in laatjes te vinden. Waarschijnlijk diep weggestopt en opgeborgen, als een tastbare herinnering. Vaak ook ingeplakt denk ik.

Maar tegenwoordig gebeurt het overal ongevraagd. Op elk moment kun je vanuit je ooghoek weer zien dat iemand in zak of tas ernaar op zoek is. En het is niet dat ik ijdel ben. En het is ook niet uit arrogantie. Wat mij het meeste dwars zit is dat ik niet weet wat er mee gebeurt. Waar ik vervolgens terecht kom. En wie weet van welk commentaar ik word voorzien. Het is in ieder geval niet mijn eigen commentaar.

Daarom zal ik het nog één keer aan iedereen kort en bondig uitleggen: Ik hou er niet van om ongevraagd op de foto te worden gezet. Ik vind het zelfs ronduit onbeschoft. In onze moderne maatschappij schuif ik al de hele dag over het beeldscherm van de talloze camera’s die onze straten, winkels en pinautomaten in de gaten houden. Daar ben ik ook al niet heel blij mee, maar daar heb ik nog een bepaalde keuze. Ik kan tenslotte ook thuis blijven. Maar onbewust en ongevraagd gefotografeerd te worden voor iemands Facebook, Hyves of Twitterpagina gaat me echt te ver. Kunnen we afspreken dat we dat voortaan dus niet meer doen? Of, als het dan toch echt moet, je het me even komt vragen?

15-10-10

vrijdag 12 maart 2010

Zelfs ‘op tijd’ is nog te laat (deel V; Slot)

Het leven gaat verder, en er is alweer een week verstreken sinds J. overleed. Mijn liefste en ik zijn weer thuis en trachten de draad van het gewone leven weer op te pakken. Toch betrap ik zowel mijn liefste als mijzelf erop, nog steeds als in een roes rond te lopen; alsof de wereld in slow motion aan ons voorbij trekt.

Het zou te gemakkelijk zijn om te stellen dat we de realiteit niet onder ogen willen zien, die is ons juist pijnlijk duidelijk. De oorzaak zit hem meer in de enorme hoeveelheid vragen waarmee we zijn achtergebleven, en juist die hoeveelheid heeft me aan het denken gezet.

In onze razendsnelle prestatiemaatschappij zijn, of lijken, slechts bezit en status nog relevant als indicatoren van (maatschappelijk) succes. Maar wat weten we nog van onze naasten, van onze familie of onze ouders? Kennen we hun levensverhaal, hun successen en triomfen? Weten we iets van de (soms) moeilijke beslissingen die ze in hun leven hebben moeten nemen en welke ze (mede) gevormd hebben tot de mensen zoals wij ze kennen? Weten we werkelijk wat hen vroeger is overkomen en wie ze diep van binnen nu eigenlijk zijn?

Als kind begreep ik er niets van als mijn opa mij aansprak op het feit dat ik ‘stamhouder’ van de familie was. Ik was op de leeftijd van een jaar of tien nog helemaal niet met meisjes, laat staan met trouwen en kindertjes krijgen, bezig. Maar naar mate ik ouder wordt komen af en toe vragen naar boven over het hoe en waarom van bepaalde gebeurtenissen in mijn eigen (familie-)geschiedenis.

Zo kreeg ik nadat mijn vader in een verzorgingshuis was opgenomen een aantal fotoboeken in handen van mijn grootouders. Daarin bladerend kwam ik er niet alleen achter dat ik héél weinig wist van mijn grootouders, maar nog minder van de personen achter de rol van ‘mijn opa en oma’. Ik heb mijn grootvader eigenlijk nooit anders gekend dan ‘met pensioen’. Ik werd in 1966 geboren, en hij stopte officieel in 1968 met werken. Maar te vragen wie hij was en wat hij deed in zijn werkzame leven, is nooit in mij opgekomen. Tot nu toe dan, maar nu is het te laat.

Eenzelfde fenomeen zie ik nu ook bij mijn liefste. Uit de eerste zaken die vanuit Frankrijk zijn meegekomen komt een beeld naar voren van een heel andere man dan mijn liefste en haar zus van hun vader hadden. De man blijkt uit veel meer dimensies te hebben bestaan dan je zo uit de eerste hand zou zeggen, en dat intrigeert mateloos. Het roept bovendien vragen op die, nu de betrokkene is overleden, nooit meer helemaal beantwoord zullen kunnen worden. Daarmee gaat niet alleen een uniek stuk familiegeschiedenis verloren, maar het onthoudt zijn kinderen en kleinkinderen er ook van zichzelf in het juiste perspectief van de familiegeschiedenis te plaatsen.

Ouderen worden in deze tijd vaak afgeschilderd als vermogend, midden-in-het-leven-staand en zelfstandig, maar tegelijkertijd zijn ze zo goed als ‘afgedaan’. Ze spelen in het maatschappelijk leven nauwelijks nog een rol van betekenis, en zodra ze ook maar enigszins ‘lastig’ of hulpbehoevend worden, stoppen we ze weg in verzorgingshuizen of aanleunwoningen. En ik begin er steeds meer van overtuigd te raken van het feit dat we niet alleen de ouderen, maar ook onszelf en onze kinderen daarmee te kort doen.

Ik zou er best wat voor over hebben als ik ook nu nog toegang zou kunnen hebben tot mijn ouders en mijn grootouders. Met de kennis en (levens-)ervaring die ik nu heb, zou ik geen enkele kans meer voorbij laten gaan om hen te bevragen over de personen die op de foto’s staan, en hen te vragen naar hun eigen jeugd en ervaringen in het leven. Die kennis mis ik nu als ik de foto’s bekijk, en dat ervaar ik inmiddels als een héél groot gemis.

12-03-10

zondag 22 juni 2008

Het Elfde Gebod


Er zijn in Nederland al vele prijzen te winnen, voor zowel positieve als negatieve prestaties, maar toen ik zaterdagochtend de krant las, besloot ik dat het de hoogste tijd is om er nog ééntje aan toe te voegen: ´De Loden Middelvinger´. Deze prijs, bestaande uit een sculptuur en de Eeuwige Spot van de Burgerij, moet jaarlijks worden uitgereikt aan de politicus, ongeacht of deze nu lokaal of nationaal opereert (´actief zijn´ vond ik in deze niet de juiste omschrijving), die dat jaar het meest absurde, het meest onzalige, het potentieel meest geldverslindende of het meest betuttelende plan heeft bedacht. Een plan ook dat, indien het ook daadwerkelijk zou worden uitgevoerd, het ambtenarenapparaat verder zal doen uitdijen, en daarmee de burger met nòg meer onnodige kosten zal worden opzadelen.

Nu is het oplaten van proefballonnetjes een dagelijkse politieke realiteit Voor wie dagelijks de krant leest, zijn er voorbeelden te over. Proefballonnetjes dienen ervoor om een potentieel plan te testen bij zowel de politieke collega´s als bij de burgers, waarbij het meestal belangrijker is wat de politiek er van vindt, dan hoe de burger erover denkt. Die laatste is tenslotte in het huidige politieke bestel volstrekt niet meer belangrijk.
Omdat ´De Loden Middelvinger´ nieuw is, wil ik als bedenker ervan, dan ook volgaarne de eerste kandidaat nomineren, om u een idee te geven wat ik bedoel. Mijn keus is daarbij gevallen op wethouder Pieter van der Veen uit het Friese Achtkarspelen.
Achtkarspelen is een gemeente met zo´n 28.200 inwoners, en bestaat uit 11 dorpen, te weten: Buitenpost, Surhuisterveen, Harkema, Kloostertille, Twijzelerheide, Drogeham, Surhuizum, Augustinusga, Boelenslaan, Gerkesklooster-Stroobos en Twijzel, met Buitenpost als hoofdplaats. De scepter wordt er, sinds 11 mei 2007, gezwaaid door burgemeester Tjeerd van der Zwan, en de gemeente heeft 3 locoburgemeesters, waarvan Pieter van der Veen de 3e is.

In zijn onmetelijke wijsheid heeft deze CU-wethouder het vingertje geheven en het briljante plan bedacht om de afvalbakken van burgers uit zijn gemeente te laten fotograferen. Niet zozeer omdat hij begaan is met de gevolgen van de huidige wegwerpcultuur, en deze middels de gemaakte foto´s voor het nageslacht wil vastleggen, maar louter en alleen omdat hij wil kunnen beoordelen wie er in zijn gemeente braaf zijn huisvuil op de juiste wijze scheidt en wie niet. Op het moment dat er namelijk in één van de Achtkarspelse vuilnisbakken iets wordt aangetroffen wat er niet in thuis hoort, dan volgt er een direct een gemeentelijke reprimande. Jawel, u leest het goed: een reprimande. De wethouder heeft nog niet laten weten of hij deze hoogstpersoonlijk komt uitdelen, maar het zou me niet eens verbazen. ´Gij zult in Achtkarspelen uw afval braaf en gehoorzaam scheiden!´, het staat vast wel ergens in de CU-Bijbel of anders binnenkort als ´Elfde Gebod´ in het APV van de gemeente Achtkarspelen.

22-06-08