maandag 6 oktober 2008

Er was eens…

Ik ben dol op sprookjes! Al die geweldige verhalen vol heksen en tovenaars die, overgoten met een sausje van vroeg-christelijke moraliteit, ons levenslessen willen leren en ons laten zien dat als de mens zich maar rechtschapen gedraagt en opstelt, er aan het eind van het verhaal altijd een bloedmooie prinses en een lang en gelukkig leven wacht.
En nu weet ik natuurlijk niet hoe het met u is, maar ik mag dan wel graag sprookjes lezen, dat wil gelukkig nog niet zeggen dat ik er ook in geloof. Maar als ik zo de krant lees lijkt het soms wel of een bepaald deel van ons land nog wél in sprookjes gelooft en er, gemakshalve, maar even van uit gaat dat de rest van het land dat ook doet. Helaas voor hen weet de rest van Nederland echter dondersgoed dat sprookjes nu juist zijn bedacht omdat het in het echte leven meestal niet zo fraai afloopt. Daar gaan dingen namelijk soms echt goed mis en dienen we, als gevolg daarvan, soms jarenlang op de blaren te zitten.
Het sprookje dat zich momenteel aan ons ontvouwd begint, net als alle andere sprookjes, met de historische woorden ´Er was eens…´. Vlei uzelve dus achterover in een gemakkelijke stoel en laat u door mij meevoeren in de wondere wereld van dat wonderbaarlijke kleine mannetje dat luistert naar de naam kawoutertje.

Er was eens, in een stad hier niet zo heel ver vandaan, een koning. Deze koning stond aan het hoofd van een regering die door het volk was gekozen, maar er ondertussen weinig van bakte. Alles werd steeds maar duurder en duurder, en de koning vroeg zich af of hij nog wel populair zou blijken te zijn bij zijn onderdanen. Dagenlang liep hij daarover te piekeren, sliep daardoor slecht en klaagde erover bij zijn vrouw. Maar niemand kon hem het echte antwoord vertellen. En zo liep de koning maar te malen, tot er op een gegeven dag een boodschapper zich bij hem meldde, met het bericht dat de reus Fortus ernstig ziek was geworden en zelfs op sterven lag. Uit zichzelf niet wetende wat te doen, ging de koning te rade bij zijn schatkistbewaarder kawoutertje. Nu moet je weten dat kawoutertje niet alleen een klein opdondertje was, hij was ook een nogal dom klein opdondertje, maar er was één ding dat kawoutertje goed kon, en dat was sprookjes verzinnen en verhaaltjes vertellen. Als kawoutertje namelijk een zelfverzonnen sprookje begon te vertellen, meestal met hemzelf in de hoofdrol trouwens, geloofde (bijna) iedereen hem, en vond iedereen hem aardig. Maar naar mate kawoutertje meer verhaaltjes vertelde en meer sprookjes verkondigde, kwam de klad er een beetje in. De mensen begonnen genoeg van hem te krijgen en geloofden steeds minder in de sprookjes en verhaaltjes van kawoutertje. Ze begonnen hier en daar zelf steeds lastiger vragen te stellen, maar kawoutertje bleef iedereen verzekeren dat alles goed was.
Toen de koning bij kawouterje kwam en hem van de zieke reus vertelde, sprong kawoutertje blij op. Dit was dé kans om al die vervelende mensen te laten zien dat hij veel méér was dan een dom klein opdondertje! Kawoutertje verzekerde de koning dat hij het probleem voor de koning op zou lossen en de reus beter zou maken, en riep daartoe wat vrienden bijeen. En de vrienden kwamen van overal aangesneld en overlegde een heel weekend over hoe ze moesten omgaan met de zieke reus. En aan het eind van het weekend waren ze eruit. Ze zouden allemaal een stukje van de reus mee nemen en voor dat stukje zorgen en het beter proberen te maken. En zo kon het gebeuren dat een stukje van de reus over de grens verdween en het grootste stuk onder de hoede van kawoutertje achterbleef.
Toen de koning een paar dagen later eens kwam informeren hoe het met de reus ging, verzekerde kawoutertje hem dat alles onder controle was en dat het slechts een kwestie van tijd was voordat de reus weer sterk en gezond zou zijn. Wat kawoutertje echter niet aan de koning vertelde, was dat de genezing véél meer geld zou gaan kosten dan kawouterjte of de koning hadden. Maar kawouterjte zou kawoutertje zijn, als hij ook daar niet een mooi sprookje over had verzonnen. Hij zou namelijk de oude alchemist Repelsteeltje, een alter ego van hemzelf trouwens, vragen uit lucht om nog wat goud te maken waardoor de schatkist opeens weer helemaal vol zou lijken, en de medicijnen voor de reus konden worden aangeschaft. En zo geschiedde. Repelsteeltje deed zijn werk en de schatkist vloeide over van het meest blinkende goud dat je ooit gezien had. Hij betaalde er iedereen mee en de reus was weer even gered. Kawoutertje mocht op audiëntie bij de koning komen en werd alom bejubeld als de grote held die toch maar even de reus had gered. Zelfs de kranten schreven dat ze kawoutertje misschien een beetje verkeerd hadden ingeschat, en dat hij met deze meesterzet toch wel had laten zien een heel capabel kawoutertje te zijn, en iedereen was blij.
Maar over de grens werd met afgrijzen naar de festiviteiten gekeken. Tovenaar Lettermes, die ook een klein deel van de zieke reus had mogen meenemen en al het geld zag waarmee kawoutertje rondstrooide, wist dat hij zich door kawoutertje zand in de ogen had laten strooien. Het stukje dat hij van de reus had mogen meenemen was veel duurder om beter te maken dan kawoutertje had laten doorschemeren. Zo duur zelfs, dat Lettermes zich bijna was doodgeschrokken. Maar Lettermes was een doorzetter en had intussen al lang een andere reus gevonden die zijn stukje reus wel wilde overnemen en die kans had hij, uit lijfsbehoud, met beide handen aangegerepen. Toch was hij bepaald niet blij toen hij kawoutertje hoorde zeggen dat kawoutertje zo verschrikkelijk slim was geweest om de meest zieke onderdelen met tovenaar Lettermes mee te geven. Lettermes voelde zich zelfs ronduit bedonderd en men zegt dat hij in zijn baard iets mompelde dat klonk als: ´Kawoutertje zegt wel vaker ongelukkige dingen…dat hoort blijkbaar bij hem.´
Kawoutertje genoot ondertussen gewoon met volle teugen door van zijn kortstondige succes. Het feit dat hij de held had gespeeld met geld dat helemaal niet bestond drukte niet al te zwaar op zijn geweten, want als dát eenmaal uit zou komen, was kawoutertje al lang en breed weggepromoveerd en dus buiten schot. Ja, kawoutertje was best blij met zichzelf. Hij was het vertellen van sprookjes blijkbaar nog bepaald niet verleerd! En de koning? Tja, die voelde wel ergens nattigheid, maar kon, dankzij de geruststellende woordenvloed van kawoutertje er niet precies zijn vinger op leggen. Dus besloot hij maar datgene te doen wat kawoutertje hem had aangeraden: hij ging lekker slapen en heerlijk dromen van een land waar alles ´goed´ was…Droom maar zacht koning, je wordt snel genoeg weer wakker in de realiteit.

06-10-08

zaterdag 4 oktober 2008

Hoe lang bestaat God nog?

De vooruitgang in de medische wetenschap gaat razendsnel, maar veel wetenschappers beseffen dat we weliswaar tegenwoordig een hoop weten, maar tegelijkertijd ook nog héél veel meer niet weten. Prof. Dr. Dick Swaab, hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam, is er zo eentje uit de laatste categorie. Hij beseft naarmate hij langer meeloopt en gaandeweg ouder wordt, dat hij nú nog net zoveel vragen, zij het van een ander kaliber, heeft als toen hij in 1966, als student, zijn eerste schreden op het gebied van hersenonderzoek zette.

In de vandaag in de Telegraaf gepubliceerde beschouwing, gaat Swaab in op een aantal historische figuren, wiens leven niet alleen ruimschoots gedocumenteerd is, maar welke ook een grote stempel hebben gedrukt op de wereld zoals wij die momenteel kennen. Figuren ook die allemaal, stuk voor stuk, een sterk ontwikkeld gevoel voor spiritualiteit hadden.
Swaab legt in zijn beschouwing een mogelijke link tussen deze spiritualiteit en hersenziekten. Hersenziekten die niet alleen de spirituele of religieuze ervaringen zouden kunnen verklaren, maar ook een heel scala aan andere eigenschappen, gedragingen en karaktertrekken die deze personen destijds kenmerkten. Zo herkent hij in de gedragingen en religieuze ervaringen van apostel Paulus het ziektebeeld van iemand die de gevolgen ondervindt van temporaalkwab epilepsie. Een waarschijnlijkheidsdiagnose die trouwens ook al eerder door anderen is gesteld.
Ook Mohammed, grondlegger van de islam, zou epilepticus zijn geweest. Ook zijn epileptische aanvallen gingen van kinds af aan gepaard met religieuze ervaringen. Dat ook kunstschilders niet onaantastbaar zijn, blijkt uit de persoon van Vincent van Gogh. Van Gogh werd in 1889 opgenomen in Saint-Remy-de-Provence vanwege epilepsie, maar had daarnaast nog last van veel meer andere kwalen. Tijdens van Gogh’s psychotische aanvallen had ook hij last van visuele en auditieve hallucinaties en bizarre religieuze en paranoïde wanen.

Als ik de beschouwing zo lees en herlees, kan ik het niet nalaten me af te vragen of de voortschrijdende wetenschap een eind gaat maken aan het bestaan van God. Natuurlijk weet ik dat dit een vraag is die mensen al eeuwenlang bezig houdt, maar de vraag wordt wel steeds actueler. Daar waar in vroeger tijden in alle natuurkundige verschijnselen de ‘hand en de macht van God’ werd gezien, heeft de wetenschap veel van deze verschijnselen inmiddels weten te verklaren, of is bezig dat te doen of te verfijnen. Maar wat zou er nu gebeuren als aangetoond zou kunnen worden dat spiritualiteit en religie niet veel meer zijn dan een functie van de hersenen? Dat de visioenen en het contact met God van, bijvoorbeeld, Paulus stomweg uit zijn eigen hersenen kwamen en helemaal niet van buiten, en al helemaal niet van boven? Als aangetoond zou kunnen worden dat Mohammed’s epileptische aanvallen verantwoordelijk waren voor zijn dialogen met God? Dat de religieuze overtuigingen die Jeanne D’Arc voortdreven feitelijk de gevolgen waren van haar zeldzame ziekte? Kun je dan feitelijk niet ook stellen dat God dus niet bestaat?
In een dergelijke discussie moet echter vooropgesteld worden, dat voor de betrokkenen de ervaringen onbetwistbaar reëel zijn. Voor hen zijn de ervaringen, hoe extreem ook wellicht voor de buitenwereld, net zo waarachtig en echt als het kopen van een brood bij de bakker. Historisch gezien geloof ik namelijk niet dat ook maar één van de genoemde personen in de beschouwing van Swaab de intentie had de kluit te belazeren, dan wel beschuldigd zou kunnen worden van handelingen voor louter persoonlijk gewin. Elke genoemde persoon wist zich uitverkoren en handelde uit de volle overtuiging een opdracht te hebben van een hogere macht die uitgevoerd moest worden. Met als resultaat de vaak dramatische, en nogal levensbekortende, consequenties.

Voor mij is een discussie over het (al dan niet) bestaan van God bovenal een persoonlijke levensvraag. Eentje die niet alleen een grote invloed heeft op de manier waarop iemand zijn eigen leven inricht, maar vooral ook op de manier waarop hij of zij in de maatschappij staat, en ook hoe die maatschappij is ingericht. Ik kan dan ook alleen maar voor mezelf spreken als ik zeg dat ik de vraag of God bestaat, jaren geleden reeds met ‘nee’ heb beantwoord. In mijn leven is er geen plaats voor een Hogere Macht, ook al besef ik me maar al te goed dat er vele terreinen in mijn leven zijn waarop ik geen enkele invloed heb, grotendeels afhankelijk ben van de omstandigheden en de luimen van anderen. En alhoewel de wetenschap door de eeuwen heen een hoop van de magie weggepoetst, er is een hoop begrip en verwondering voor teruggekomen over hoe ingenieus e.e.a. in elkaar steekt. Ook zie ik ook zeker wel de schoonheid, de wreedheid en de onbegrensde kracht van dat wonderbaarlijke fenomeen dat we doorgaans ‘de natuur’ plachten te noemen. Als ik de schoonheid van de natuur zie, en me realiseer hoe alles samenwerkt en samenhangt, zou ik bijna zelfs in een God kunnen gaan geloven, maar bijna is nog net niet helemaal. Ook ben ik bepaald niet blind voor mensen die steun en vertrouwen vinden in hun geloof en geloofsbeleving. Ik kan soms zelfs bewondering hebben voor de manier waarop zij berusten in hun tegenspoed en daarin een groter plan zien dat groter is dan zijzelf en waarop ze blindelings kunnen vertrouwen zónder het persé te hoeven begrijpen. Ik kan dat namelijk niet blindelings, daar ben ik veel te eigenwijs en eigengereid voor. Ik sta met een gezonde dosis scepsis in het leven en neem weinig voor waar aan zonder de zaken eerst overdacht en doordacht te hebben. Voor mij is de vraag of er een God bestaat dus een reeds gepasseerd station, maar ik begrijp inmiddels hoe verwondering over de wereld en onbegrip uiteindelijk tot een godsbeeld kunnen leiden. Ik respecteer en begrijp dat, maar dat vormt geenszins een reden om er dus maar aan deel te nemen. Voor mij is er ook volop mysterie, schoonheid en complexiteit in het leven te vinden zonder het nog eens nodeloos te compliceren met een hogere macht die, in mijn optiek, toch al erg onwaarschijnlijk is. Het leven biedt ook zònder genoeg waar ik me over kan verwonderen en intens van kan genieten, ik kan er zelfs blij van worden of uitermate gefrustreerd als het weer eens niet gaat zoals ik graag zou willen. De vraag of God bestaat is dus eentje die ieder voor zich moet beantwoorden, in alle rust en zonder zich daarbij te laten leiden door de mening van anderen of druk van buitenaf. Voor velen zal het beantwoorden van die vraag, en de vele nieuwe vragen die daaruit volgen, echter een beproeving zijn. Los komen van opvoeding, cultuur en andere sociale invloeden is geen sinecure en doorgaans een ware beproeving tijdens de levensreis, maar ook een reis die veel kan opleveren. De wetenschap mag tenslotte vaak menen soms de absolute waarheid in pacht te hebben, maar er zullen altijd zaken blijven waarop zowel de religie als de wetenschap een bevredigend antwoord schuldig moeten blijven. En dat is maar goed ook.

04-10-08