maandag 15 maart 2010

Was will das Weib?

Als puberende jongeling dacht ik nog dat vrouwen vooral mysterieus en ongenaakbaar moesten zijn. Ik bedacht destijds zelfs dat als ik er in slaagde de handel en wandel van de vrouwelijke ziel te doorgronden, ik verder een rustig en gezegend leven zou hebben. Tja, hoe naïef kun je zijn…

Inmiddels ruim twee keer zou oud, weet ik wel beter. De vrouwenziel laat zich niet doorgronden. Niet omdat een dergelijke mammoetklus onmogelijk zou zijn, je moet er eerder maar zin in hebben, maar de onmogelijkheid schuilt hem vooral in het feit dat vrouwen hun diepste zielenroerselen vooral voor zichzelf willen houden.

Het is een van de grootste mysteries die filosofen, denkers, psychoanalytici, koningen, John Gray en, niet te vergeten, de gewone man al eeuwen bezig houdt: ‘Was will das Weib?’ En hoe heerlijk zou het zijn als ik, als chroniqueur van mijn eigen leven, u op deze grijze maandagmorgen het antwoord zou kunnen presenteren. Echter, door ervaring inmiddels zowel wijzer als grijzer geworden, moet ik u zeggen: ‘das Weib’ bestaat niet, net als ‘der Mann’ niet bestaat overigens.

Uit mijn omgang met mijn liefste, tenslotte de representant van ‘das Weib’ in ons huwelijk, heb ik inmiddels een aantal zaken geleerd, welke ik u niet wil onthouden. Ik moet daarbij natuurlijk het voorbehoud maken dat wàt ik zeg geheel en al voor mijn eigen rekening en verantwoording komt. ‘Zij’ heeft er niets mee te maken; sterker nog, ik kan dit alleen maar schrijven omdat ze inmiddels het pand heeft verlaten om te gaan werken.

Uit mijn beschouwing van het fenomeen ‘vrouw’, heb ik over de jaren een aantal conclusies getrokken. De meeste ervan hebben een redelijk korte levensduur, want de vrouw verandert namelijk voortdurend. Niet alleen van mening, maar ook van kleding, voorkeur in schoenen en lievelingskleur. En als de man niet voldoende aangepast, oppassend en toegewijd is, òòk van partner. Wil de man dus een redelijk rustig leven kunnen lijden in aanvaardbare harmonie met zijn vrouwelijke wederhelft, dan dient hij te kiezen uit een aantal strategieën om dit te bewerkstelligen.

De eerste strategie is die van de totale onverschilligheid. Deze strategie is niet de meest verstandige, en kan pas bereikt worden na jaren van felle twisten en heftige woordenwisselingen. Toch wordt deze strategie vaak toegepast door mannen die of eerdere huwelijken achter de rug hebben, ‘damaged goods’ in vrouwentermen, òf door mannen die stiekem te veel vrouwenbladen heeft gelezen. Na het invullen van de zoveelste kwis ‘Welk type mannenhaatster ben jij?’ is het volledig uitschakelen van zowel gehoor als emotionele betrokkenheid wel enigszins begrijpelijk.

De tweede strategie, veelal toegepast door mannen die het bovenal goed willen doen, is die van de totale toewijding. Hij brengt haar dagelijks een kopje thee op bed, trekt zich vervolgens terug en laat zijn prinses alle ruimte zich aan haar toilet te wijden. Dan brengt hij haar naar haar werk en haalt haar klokslag vijf weer even trouw op, om haar vervolgens met de kousenvoeten omhoog op de bank plaats te laten nemen en zich aan de bereiding van het avondeten te begeven. Ook deze strategie levert slechts voordeel op korte termijn, en verziekt de vrouw bovendien voor elke man die ná hem komt.

De meest succesvolle strategie mijnerzijds echter, vergt jaren van oefening en is tot stand gekomen na even zo lange en heimelijke studie van het fenomeen ‘vrouw’. Het is een meer zakelijke benadering van de relationele verhoudingen, en behelst het omzichtig uithoren van de partner, over zowel haar hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Welke van die twee doorgaan de overhand heeft in de totaaltelling laat ik, uit puur lijfsbehoud, voor de duidelijkheid maar in het midden.

Deze strategie behelst voornamelijk schijnbewegingen die, mits perfect uitgevoerd, de vrouw laten denken dat je haar hebt opgemerkt, rekening houdt met haar wensen en verlangens en haar ook de nodige eerbied en verering ten deel doet vallen. Hij kan worden opgesteld op basis van de nodige, met omzichtige vragen verkregen, informatie en observatie van haar gedrag. Eén woord van waarschuwing echter: geen enkele vrouw laat zich echter zomaar vangen. Zelfs de meest ervaren echtgenoot komt bij tijd en wijle in een lastig pakket, zoals ik gisteren tot mijn afgrijzen moest constateren. Bij het zappen kwamen we terecht bij BNN’s ‘Spuiten en Slikken’, middenin een item over prostitutie. Op het moment dat het woord ‘hoer’ voor de eerste keer viel, wist ik dat ik in de problemen zou komen. En ja hoor, nog geen vijf seconden daarna kwam de vraag: ‘Ben jij wel eens naar de hoeren geweest?’

Dit, mijn beste heren, is één van die handvol vrouwen-vragen waarmee je steevast in de problemen terecht komt. Geen enkel antwoord is namelijk goed. Als je, al dan niet eerlijk, volmondig ‘Nee!’ zegt, kan een onhandige ademhaling de vrouw al aan het denken zetten. Zeg je daarentegen ‘Ja…’, dan volgt vervolgens een spervuur van vragen over het waarom, het wanneer, de vrouw in kwestie, de totstandkoming van de keuze voor die vrouw, wat ze droeg vòòr, tijdens en na, en of je nog wel eens over haar fantaseert. Wonderwel is de prijs niet altijd onderdeel van de vragen, wat weer duiden kan op enige onervarenheid op het gebied van ondervragen aan de vrouwelijke kant. Want een man die wel een prijs kan noemen maar verder zegt nog nóóit naar de hoeren te zijn geweest, is in het vrouwenbrein meteen fout, en met stip hoofdverdachte nummer een. En dat is een positie die uiterst definitief, altijd en met alle middelen vermeden dient te worden.

15-03-10

vrijdag 12 maart 2010

Zelfs ‘op tijd’ is nog te laat (deel V; Slot)

Het leven gaat verder, en er is alweer een week verstreken sinds J. overleed. Mijn liefste en ik zijn weer thuis en trachten de draad van het gewone leven weer op te pakken. Toch betrap ik zowel mijn liefste als mijzelf erop, nog steeds als in een roes rond te lopen; alsof de wereld in slow motion aan ons voorbij trekt.

Het zou te gemakkelijk zijn om te stellen dat we de realiteit niet onder ogen willen zien, die is ons juist pijnlijk duidelijk. De oorzaak zit hem meer in de enorme hoeveelheid vragen waarmee we zijn achtergebleven, en juist die hoeveelheid heeft me aan het denken gezet.

In onze razendsnelle prestatiemaatschappij zijn, of lijken, slechts bezit en status nog relevant als indicatoren van (maatschappelijk) succes. Maar wat weten we nog van onze naasten, van onze familie of onze ouders? Kennen we hun levensverhaal, hun successen en triomfen? Weten we iets van de (soms) moeilijke beslissingen die ze in hun leven hebben moeten nemen en welke ze (mede) gevormd hebben tot de mensen zoals wij ze kennen? Weten we werkelijk wat hen vroeger is overkomen en wie ze diep van binnen nu eigenlijk zijn?

Als kind begreep ik er niets van als mijn opa mij aansprak op het feit dat ik ‘stamhouder’ van de familie was. Ik was op de leeftijd van een jaar of tien nog helemaal niet met meisjes, laat staan met trouwen en kindertjes krijgen, bezig. Maar naar mate ik ouder wordt komen af en toe vragen naar boven over het hoe en waarom van bepaalde gebeurtenissen in mijn eigen (familie-)geschiedenis.

Zo kreeg ik nadat mijn vader in een verzorgingshuis was opgenomen een aantal fotoboeken in handen van mijn grootouders. Daarin bladerend kwam ik er niet alleen achter dat ik héél weinig wist van mijn grootouders, maar nog minder van de personen achter de rol van ‘mijn opa en oma’. Ik heb mijn grootvader eigenlijk nooit anders gekend dan ‘met pensioen’. Ik werd in 1966 geboren, en hij stopte officieel in 1968 met werken. Maar te vragen wie hij was en wat hij deed in zijn werkzame leven, is nooit in mij opgekomen. Tot nu toe dan, maar nu is het te laat.

Eenzelfde fenomeen zie ik nu ook bij mijn liefste. Uit de eerste zaken die vanuit Frankrijk zijn meegekomen komt een beeld naar voren van een heel andere man dan mijn liefste en haar zus van hun vader hadden. De man blijkt uit veel meer dimensies te hebben bestaan dan je zo uit de eerste hand zou zeggen, en dat intrigeert mateloos. Het roept bovendien vragen op die, nu de betrokkene is overleden, nooit meer helemaal beantwoord zullen kunnen worden. Daarmee gaat niet alleen een uniek stuk familiegeschiedenis verloren, maar het onthoudt zijn kinderen en kleinkinderen er ook van zichzelf in het juiste perspectief van de familiegeschiedenis te plaatsen.

Ouderen worden in deze tijd vaak afgeschilderd als vermogend, midden-in-het-leven-staand en zelfstandig, maar tegelijkertijd zijn ze zo goed als ‘afgedaan’. Ze spelen in het maatschappelijk leven nauwelijks nog een rol van betekenis, en zodra ze ook maar enigszins ‘lastig’ of hulpbehoevend worden, stoppen we ze weg in verzorgingshuizen of aanleunwoningen. En ik begin er steeds meer van overtuigd te raken van het feit dat we niet alleen de ouderen, maar ook onszelf en onze kinderen daarmee te kort doen.

Ik zou er best wat voor over hebben als ik ook nu nog toegang zou kunnen hebben tot mijn ouders en mijn grootouders. Met de kennis en (levens-)ervaring die ik nu heb, zou ik geen enkele kans meer voorbij laten gaan om hen te bevragen over de personen die op de foto’s staan, en hen te vragen naar hun eigen jeugd en ervaringen in het leven. Die kennis mis ik nu als ik de foto’s bekijk, en dat ervaar ik inmiddels als een héél groot gemis.

12-03-10