maandag 14 juli 2008

Liberté, Egalité, Fraternité

Vandaag is ´Quatorze Juillet´, de dag waarop, precies 219 jaar geleden, de bestorming van de Bastille plaatvond. Het was het begin van de Franse revolutie waarbij van de monarchie vervangen werd door een republiek. Met het credo ´Liberté, Egalité, Fraternité´ (Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap) vochten de Fransen voor een vrijer, eerlijker en rechtvaardiger maatschappij zònder het eeuwenoude verschil in rangen en standen.
Nu, 219 jaar later, is het soms nodig om wéér op de barricaden te gaan. Nog dagelijks worden mensen vervolgd, vermoord, lastig gevallen of verjaagd omdat ze nu eenmaal een andere kleur hebben, tot een verkeerde groep behoren, er andere denkbeelden op na houden, een ander geloof aanhangen, er anders uitzien of de verkeerde seksuele geaardheid hebben. Je zou toch denken dat we inmiddels wel geleerd zouden hebben om in een zekere mate van vrijheid met elkaar samen te leven, maar als ik de kranten lees blijkt daar soms maar weinig van.

Zo las ik vanmorgen het berichtje dat een Italiaanse man gedwongen werd zijn rijexamen over te doen omdat homoseksueel is. De man had dit feit, dat hoegenaamd geen enkele invloed heeft op diens vermogen tot het besturen van een motorvoertuig of diens rijstijl, bij de keuring voor militaire dienst onthuld. De keuringsartsen gaven het vervolgens door aan het verkeersministerie, en dat bepaalde dat de man dus opnieuw examen moest doen. Zo niet, zou het rijbewijs worden ingetrokken op grond van een ´seksuele identiteitsstoornis´. De man slaagde, maar kreeg daarna een rijbewijs met een geldigheid van slechts een jaar. Na de nodige procedures krijgt de man nu een bedrag van 100.000 Euro uitgekeerd als schadevergoeding van de Staat.

Dergelijke berichten doen me vrezen dat de mensheid als geheel nog steeds niets wijzer is geworden dan we waren in de Middeleeuwen. Een tijd waarin men oprecht dacht dat de wereld plat was en de aarde het middelpunt vormde van het heelal. Het ergste is nog dat het pesterijen zijn van overheidswege. Die zouden, anno 2008, toch inmiddels beter moeten weten en dienen zich bovendien diep te schamen dat dergelijke praktijken nog steeds kúnnen voorkomen. Maar helaas, daar waar mensen zijn, heerst soms een naïeve domheid die grenst aan het ongelooflijke.
Een ander voorbeeld. Laatst hoorde ik een aantal mensen discussiëren over asielzoekers. Net zo´n favoriet onderwerp, want ze kunnen zich nauwelijks verdedigen. Er werd een opmerking gemaakt dat al die asielzoekers maar eens ´overeind´ moesten komen, de werkelijk gebruikte termen zal ik hier niet herhalen omdat mijn pen ze weigert neer te schrijven, en aan het werk moesten gaan. Het feit dat ze de hele dag maar stil zaten te wachten van ´onze belasting-centen´ beviel de spreker allesbehalve. Ik hoorde de monoloog enige tijd aan voordat ik de drang niet langer kon bedwingen me ermee te gaan bemoeien: ´Ze willen dolgraag werken hoor, ze mógen echter niet werken!´. De stilte die vervolgens viel was oorverdovend. Dát wisten ze niet nee, en dat hadden ze dan ook zéér duidelijk laten blijken.

Ik bleef achter met één vraag.:´Waarom is het toch zo moeilijk je ergens eerst een beetje in te verdiepen vòòr je er een oordeel over geeft?´ Dan voorkom je niet alleen dergelijke domme fouten, maar wellicht leer je ook nog iets. En héél misschien kom je dan zélfs tot de conclusie dat de ander òòk een mens blijkt te zijn die niet eens zo heel anders in het leven staat als jij. Dat ook hij gewoon een enigszins aangenaam leven wil leiden en genoeg wil verdienen om voor zichzelf, zijn familie en zijn gezin te kunnen zorgen. Mensen zijn namelijk helemaal niet zo heel verschillend en de meesten zijn zelfs nog aardig ook! Ik blijf hopen dat als we er met z´n allen in slagen een klein beetje meer begrip voor elkaar en elkaars problemen en standpunten op te brengen, er ooit een tijd aanbreekt waarin het credo van ´Liberté, Egalité, Fraternité´ écht inhoud heeft. Het zal alleen niet morgen zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat het kan. Met een beetje goede moet dat toch lukken?


14-07-08

zaterdag 12 juli 2008

Nomofobie


Afgelopen week was ik druk aan het klussen in huis. Op zich heb ik daar geen hekel aan en, als je eenmaal bent begonnen, valt het allemaal reuze mee en zie je de boel gewoon onder je handen opknappen. Deze keer waren de gang en de hal aan de beurt. Beiden hadden, na diverse interne verhuizingen en een lekkage, behoorlijk te lijden gehad en waren toe aan een opknapbeurt en een frisse nieuwe laag verf. En als ik aan de slag ga doe ik dat met muziek aan en de telefoon uit.
En juist dat laatste schijnt de moderne wereldburger steeds meer problemen op te leveren. Zoveel zelfs, dat er een naam voor is bedacht: Nomofobie, ofwel de angst om onbereikbaar te zijn. Ik heb daar weinig last van, eerder zelfs van het omgekeerde: de angst om altijd bereikbaar te zijn. Voor mij is een mobiele telefoon namelijk uitermate geschikt voor één ding: bellen of gebeld worden op het moment dat mij dat uitkomt, als ik wil bellen dus. Zodoende komt het wel eens voor dat enthousiaste bellers mijn voicemail krijgen in plaats van rechtstreeks in mijn fysieke oor te kunnen toeteren. Nu is niet iedereen even gecharmeerd van een voicemail, de meesten nemen ook niet eens de moeite iets in te spreken, maar verwachten daarbij wel dat je subiet terugbelt zodra je ziet dat ze hebben gebeld. Maar bij mij werkt dat doorgaans zo niet. Als je iets van me wilt en in die pogig mijn voicemail treft, dan bel je op een later moment nog maar eens terug, òf je laat een berichtje achter waaruit ik kan opmaken dat je het op prijs zou stellen als ik de getoonde interesse in mijn persoontje zou reproduceren en zou beantwoorden met een telefoontje in de tegenovergestelde richting. En zodra dat passend is zal ik dat ook zeker doen, maar niet eerder dan op dat precieze moment.
Toch lijkt het of dergelijke ´Regels ter Regulering van de intermenselijke Communicatie over de Telefoon´, kortweg de RRCT, niet gelden voor communicatie tussen ouder en kind. Zelfs niet als betreffende kind reeds decennia geleden, al dan niet met zekere dwang, het ouderlijk nest heeft verlaten. Als ouders bellen heb je als kind namelijk simpelweg maar tijd te hebben of tijd te maken. Als kind dien je gewoon bereikbaar te zijn voor een bezorgde, angstige, belangstellende, ´door-God-en-de-hele-wereld-in-de-steek-gelaten´ , alleen-zijnde of anderszins in het fysieke welzijn aangetaste ouder. Dat geldt trouwens weer niet andersom. Deze ouders zijn vlotte zestigers of zeventigers die nog volop in het leven staan en het ´drukker hebben dan ooit!´. Hen dus lastig vallen met jouw zielepijntjes màg eventueel dan nog wel, maar dan uitsluitend op afspraak en op het moment dat het hèn uitkomt. Ergens tussen het bridgen en de dansles dus. Of, voor de hele moderne onder hen, ergens tussen de computercursus ´Windows voor Senioren´ en het Nordic Walking of het partijtje golf.
Maar goed, zélf onbereikbaar zijn is tegenwoordig ´not done´, een echte ´faux pas´ als je prijs blijft stellen op regelmatige interesse of contact met mede aardbewoners van familiaire aard. Als ik echter eerlijk ben is die behoefte bij mij niet bijster ontwikkeld en vind ik het heerlijk om af en toe eens ongestoord mijn eigen ding te kunnen doen zònder daarbij gestoord te worden over de ´Lotgevallen van Buurvrouw S.´ of de ´Schandelijke Affaire van Nicht G.´ Die laatste is overigens prima in staat haar eigen beslissingen te nemen en is daarbij slechts bezig om jaren van een, al dan niet ingebeeld, ´tekort´ in één keer horizontaal met haar donkere minnaar in te halen. Maar dat terzijde.

Als ik eerlijk ben, zit ik daar allemaal niet bepaald op te wachten. Bovendien kan ik mezelf ook niet echt betrappen op een sterk ontwikkeld schaamtegevoel omtrent die desinteresse. Het interesseert me niet en af en toe vind ik het gewoon heerlijk om ´onvindbaar´ te zijn, al is het in mijn eigen huis of tuin. Ook als ik met ´D´Olle Grieze´ erop uit ben getrokken, vind ik het heerlijk om daarbij de telefoon thuis te laten, dan wel uit te zetten. Natuurlijk begrijp ik wel dat ouders maar al te graag precies op de hoogte zijn van wat zoonlief allemaal uitspookt, maar geloof me, als ouders wil je helemaal niet alles tot in detail weten. Bovendien voel ik me helemaal niet verplicht, noch ben ik van zins, tot in detail verantwoording af te leggen over mijn bewegingen en beweegredenen. Dat heb ik nooit gedaan en ben dan ook absoluut niet van plan om daarmee nu opeens te gaan beginnen. Het argument ´maar je woont ook zó ver weg!´ is daarbij trouwens geen excuus. Het is ook geen uitnodiging om in het te koop staande huis hier tegenover te komen wonen trouwens, maar dat is een hele andere discussie.
Nee, bereikbaar zijn is bepaalde gevallen prima, maar dat hoeft absoluut niet continue. Buiten acute noodgevallen kan ik me niet voorstellen dat de noodzaak tot communiceren zo groot is dat het niet een uurtje of wat zou kunnen wachten. Mensen die daar anders over denken lijken te lijden aan een chronisch geval van zelfimportantie of zelfoverschatting en dienen de oplossing daarvoor elders te zoeken, ik kan hen daarbij toch niet helpen. De rest die echt iets van mij wil, is bij deze uitgenodigd de voicemail in te spreken en dan bel ik heus wel terug. Een korte mededeling is daarbij ruim voldoende. Het is nergens voor nodig het hele bandje scheldend vol te toeteren en daarbij geen enkele ruimte over te laten voor mensen die wèl wat belangrijks te melden hebben. Dergelijke boodschappen hebben eerder een averechts affect. De rest bel ik, braaf als ik nu eenmaal ben, toch wel terug. Beter is het om te accepteren dat de Heer en Mevrouw de L´Ecluse af en toe ff de hort op zijn. Gewoon samen met z´n tweetjes, en dat is alles behalve asociaal: dat is heerlijk!

12-07-08